(Jij begrijpt het meteen.)
Tu le ........ tout de suite.
Mannelijk of vrouwelijk ('le' of 'la')?
de mobiele telefoon = ........ portable

Le portable était tombé par terre = De mobiele telefoon was op de grond gevallen.
(Trots presenteert hij zijn werkstuk.)
Il présente ........ son travail.
(In de winter kunnen we (gaan) schaatsen.)
........ hiver, on peut faire du patinage.
