(Wat wil jij?)
Qu'est-ce que tu ........ ?
(Zij hebben een hekel aan bloemkool.)
Ils détestent ........ chou-fleur.

Na werkwoorden die een voorkeur of afkeur uitdrukken komt altijd het bepaalde lidwoord.
'Du' en 'de la' worden gebruikt als er in het Nederlands geen lidwoord staat en over een 'onbepaalde hoeveelheid' wordt gesproken . Bijv. Je mange de la soupe (Ik eet soep), J'achète du pain ( Ik koop brood).
Pendant le petit-déjeuner je mange toujours des 'œufs' (eieren).
Het vetgedrukte woord rijmt op :
Wat wordt hier verkocht (wanneer de winkel open is)?
Op de gevel:
Coutellerie, Armurerie, Armes & Lames