(De bakker sluit zijn zaak.)
Le boulanger ........ son magasin.
Au restaurant, mes parents ........ (nemen) toujours le même menu.
(Haar neef speelt tennis.)
........ cousin joue au tennis.
(Laten we niet verder zoeken! Het belangrijkste is dat het werkt.)
Ne cherchons pas!
Le principal cet que sa marche.
Welke woorden uit deze mail zijn niet goed gespeld?